Hein Vandervoort

Sinds 2012 richt Vandervoort zich op de schilderkunst zelf: “het schilderen” enerzijds, anderzijds de invloed van grote hedendaagse schilders op zijn werkwijze en techniek. Dat resulteerde allereerst in een nieuwe serie stillevens: objecten – die hij vond in zijn huis en tijdens zijn lange wandeltochten – werden associatief componeert tot moderne stillevens en in Vandervoort’s typische objectieve wijze geschilderd. Daarnaast inspireerde zijn intensieve wandeltochten door Nederland en Duitsland hem tot het schilderen van monumentale landschappen. Hij plaatst er de portretten in van grote, hedendaagse schilders. Ze hangen letterlijk als gekleurde lichten in de landschappen; de inspiratiebronnen uit het verleden en het heden worden geëerd.

In 2007 schreef Rob Perrée de volgende begeleidende tekst

De Amerikaanse werkelijkheid

De schilderijen van Hein Vandervoort (1962, Leiden) voeren me terug naar mijn eerste bezoek aan Amerika, nu meer dan dertig jaar geleden (de Cadillac van de kunstenaar zag een jaar eerder het levenslicht). Naast het vliegveld stapte ik in mijn gehuurde, roodgloeiende Ford Thunderbird en ben gaan rijden. Zonder doel, zonder gerichte plannen, overweldigd door het eindeloze landschap dat onder mijn lange, glimmende motorkap verdween. Alsof ik het wegdek gulzig opvrat. Het voelde alsof ik acteerde in een speelfilm, waarin ik geen medeacteurs duldde en waarin clichébeelden fungeerden als onmisbare rekwisieten. De werkelijkheid was gekleed in Hollywood. Herkenbaar maar anders dan de werkelijkheid die ik van thuis kende. Ik reed in een droom die ik (nog) niet kon benoemen.

Hein Vandervoort heeft verschillende reizen door de Verenigde Staten gemaakt. Hij moet een vergelijkbare ervaring hebben opgedaan. Zijn werk verraadt dat.
Hij schildert figuratief en op het eerste gezicht realistisch. Foto’s zijn vaak zijn uitgangspunt. Toch heeft die realiteit vreemde trekken. De kleuren gaan hun eigen weg en geven de voorkeur aan grijs- of okertonen, de droge manier van schilderen leidt wel naar volledigheid maar niet naar gedetailleerdheid, waardoor de kijker het met een indruk of een gevoel moet doen. Die vertekening van de realiteit heeft zonder twijfel te maken met het bijzondere perspectief. Hij laat de kijker meekijken vanuit zijn Amerikaanse auto of vanachter een kitscherig begordijnd kamerraam (van ranches waar hij onderweg in logeerde?).

Zelfs als de vreemde omgeving zijn weergave van de werkelijkheid niet zou beïnvloeden, dan zijn er andere aspecten die zijn schilderijen doen uitstijgen boven de traditionele figuratie. Er zit bijvoorbeeld altijd beweging in zijn doeken. Door die rijdende auto, maar ook omdat mensen kennelijk alleen maar ten tonele mogen verschijnen als ze iets doen, als ze duidelijk een handeling verrichten. Dat concept wordt versterkt, door alleen actieve handen te laten zien. Verder deelt de kunstenaar zijn doeken vaak op in twee of meer vlakken, waardoor het lijkt alsof hij, als in een film, scènes aan elkaar koppelt. Hij laat de tijd verlopen. Daarnaast slaagt hij erin relativering en zelfs humor in te bouwen. Toegevoegde behangpatronen maken van de uitzichten of vergezichten kitscherige prentbriefkaarten zoals oude tantes je die, gewoontegetrouw en uit voorraad, toesturen. Een blauwwit antiek tegeltje figureert doelloos naast een afbeelding van een roestvrij stalen keuken. Een richtingaanwijzer met ‘City Center’ wijst in de richting van een kale berg. Een lieflijk landschap gecombineerd met het beeld van een mannenhand aan de trekker van een geweer wordt van de droge titel ‘A Safe Place’ voorzien etc.

Los van de inhoud zijn de schilderijen van Vandervoort uitgebalanceerde composities met veel lef aangebracht op een groot vlak. Er zijn zelfs doeken van ruim een meter bij ruim drie meter. Het lijken uitnodigingen aan de kijker om in te stappen en mee te reizen, om deel uit te maken van het afgebeelde tafereel.

Het is verleidelijk om het werk van Hein Vandervoort te plaatsen binnen de Amerikaanse figuratieve traditie van kunstenaars als Edward Hopper, Richard Estes en Eric Fischl. Door de opdeling van zijn doeken in verschillende ‘speelvlakken’ dringt het werk van David Salle zich op. In alle gevallen heb ik het gevoel dat de vergelijking mank gaat. De nuchterheid van Vandervoort past niet bij het melancholische van Hopper en het theatrale van Fischl. Door de beweeglijkheid van zijn doeken neemt hij afstand van de veelal statische werken van Estes. Bij de, soms bijna wellustige, overvloed van Salle worden de schilderijen van Hein Vandervoort uiterst serene beelden.
Kennelijk heeft zijn werk zoveel eigenheid dat het eerder een traditie uitbouwt dan dat het zich eraan spiegelt.

Comments are closed.