Caroline Serton


De taal van het materiaal is in het werk van Caroline Serton erg belangrijk. Verf vloeit, lak glimt, houtskool is voor schetsmatige nuances, grafietpoeder wrijft ze in, pastels blijven fluwelig.
Door het schuiven met delen van haar tekeningen en uitsnijden in het werk levert dit al met al een breekbare en poëtische balans op tussen het gevoelsmatig optekenen en vaste industriële natuurvormen.
Serton simuleert weliswaar natuur maar vermaakt deze tot eigenzinnige, hedendaagse natuuriconen. De werken op papier ( 1.20 x 1.50 m ) gaan per slot over het verlangen naar de perfecte natuur en de schijnbare maakbaarheid daarvan.

DE SCHOONHEID VAN DE KWETSBAARHEID (Tekst: Rob Perrée, augustus 2011)

Caroline Serton (1966) maakte bijna vijftien jaar geleden de overstap van de stad naar de natuur van Texel. Ze had er geen moeite mee. In de stad was ze al gefascineerd door wat er groeide en bloeide, soms tegen de verdrukking van het stadsleven in, soms schuilend voor het verkeer en andere gevaren.

Ik maakte jaren geleden een omgekeerde beweging. Vanaf het moment dat ik in Amsterdam uit de trein stapte en het eerste perron onder mijn voeten voelde, wist ik dat ik de natuur geen dag zou missen. Drukte vond ik meteen prettiger dan stilte, een balkon, ontdekte ik een dag later, was voor mij een uitgelezen alternatief voor een tuin.
Het was daarom een vervreemdende ervaring toen ik onlangs met het werk van Caroline Serton geconfronteerd werd. Ik gebruik bewust ‘confronteren’, omdat het meer was dan zien. Dat was de natuur zoals ik haar niet kende. Dat was natuur zonder natuur te zijn. Dat waren natuurlijke, organische vormen die verwezen naar de natuur. Vormen die me aantrokken, verleidden, vormen die het tegelijkertijd prettig hadden met elkaar en dat uitstraalden. Verstrikt, verstrengeld, over elkaar heen gelegd. In beweging, alsof ze het papier af wilden groeien. Kleurig maar ook verschoten. In kleur op elkaar afgestemd, maar ook met elkaar contrasterend.

Serton houdt niet zozeer van de natuur, ze houdt van de vormen die eigen zijn aan de natuur. Ze tilt de natuur boven haar letterlijkheid uit. Anders gezegd, ze maakt de werkelijkheid van de natuur tot een eigen werkelijkheid.

Wat meteen ook opviel was de kwetsbaarheid van de werken. Het waren grote vellen papier, 150 bij 120 cm schat ik, maar die grootte was geen garantie voor een stoere, potente uitstraling. Integendeel. Het duurde even voordat ik begreep, of dacht te begrijpen, waarom. De werken waren opgebouwd uit segmenten. Beeldsegmenten, maar ook materiaalsegmenten. Er was gegumd, geplakt, geknipt, geperforeerd, gescheurd. Zelfs het materiaal dat de beelden vormde was niet alleen maar ‘ordinaire’ verf, maar ook vloeibare rubber of teer. Zelfs schitterde er af en toe glitters.Het werd duidelijk, de werken van Caroline Serton hebben nog een andere laag. Ze heeft zich, zoals ze het zelf uitdrukt, de natuur toegeëigend om haar als het ware voor allerlei bedreigingen te behoeden. Ze grijpt liever zelf in dan dat ze anderen, mensen met minder edele motieven, de vrije hand laat. De natuur is immers kwetsbaar. De natuur heeft immers niet het eeuwige leven. Ze claimt dan wel het recht om de natuur een persoonlijk gezicht te geven. Door de ronde en grillige vormen van de natuur te benadrukken, door de levendigheid ervan te onderstrepen, levert ze daarvoor een overtuigende legitimatie af.

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken dat Caroline Serton de natuur idealiseert, zoals bijvoorbeeld de negentiende eeuwse School van Barbizon de natuur (ver)esthetiseerde, vaak geïnspireerd door poëzie uit de klassieke oudheid. Ik heb dat altijd een valse vorm van romantiek gevonden, rakend aan verkitsching. De motieven van Serton zijn oprecht. Ze komen voort uit liefde voor en betrokkenheid bij de natuur.
Haar werk heeft er in ieder geval voor gezorgd dat natuur voor mij een andere connotatie heeft gekregen.